Rechtszaak hoger beroep in ’t kort
De Staat handelt in strijd met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens
door omwonenden van Schiphol geen adequate rechtsbescherming te bieden en hun belangen stelselmatig ondergeschikt te maken aan die van de luchtvaart. Bovendien heeft de Staat steeds de groei van Schiphol vooropgesteld. Dat moet vanaf nu anders: de omwonenden mogen niet langer de sluitpost zijn. De Staat moet serieus werk maken van de ‘fair balance’ tussen de belangen van omwonenden en andere belangen.
Dit vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2024 is nog altijd het buitengewone resultaat van onze eerste ronde tegen de Staat.
De Staat heeft lak aan het vonnis
Tot op de dag van vandaag handelt de Staat in strijd met het vonnis. Nieuwe plannen van de Staat voor Schiphol zijn een voortzetting, en zelfs een intensivering, van de stelselmatige achterstelling die door de rechtbank zo ondubbelzinnig werd afgekeurd.
Sinds het vonnis is er dus wel veel gebeurd, maar desondanks weinig veranderd. De Staat heeft zelfs besloten dat de luchtvaart weer mag groeien, en de omwonenden zijn bij dat besluit opnieuw de sluitpost.
RBV kiest in het hoger beroep opnieuw voor de aanval
In plaats van serieus werk te maken van het vonnis, is de Staat in hoger beroep gegaan. RBV grijpt het hoger beroep aan om op opnieuw tegen de Staat in de aanval te gaan!
RBV vraagt het hof uit te spreken dat de Staat onrechtmatig handelt door:
- buitensporig veel mensen bloot te stellen aan (ernstige) hinder en (ernstige) slaapverstoring als gevolg van het vliegverkeer van en naar Schiphol;
- geen rekening te houden met (de optelsom van) alle negatieve effecten van het luchtverkeer, waaronder gezondheids- en klimaatschade en neerstortgevaar;
- niet de economische noodzaak voor het aantal toegestane vliegtuigbewegingen deugdelijk te onderzoeken;
- in strijd met zijn conclusie dat voor het economisch welzijn 440.000 vliegtuigbewegingen genoeg zijn, op Schiphol (veel) meer vliegtuigbewegingen toe te staan;
- geen minimalisatieverplichting te hanteren voor de uitstoot van zeer schadelijke stoffen verbonden aan de vliegtuigbewegingen op Schiphol;
- geen toereikende en afdwingbare klimaatdoelstellingen vast te leggen voor het (vertrekkend internationale) vliegverkeer van Schiphol.
Verder eist RBV van de Staat om binnen twaalf maanden na de uitspraak in hoger beroep het aantal vliegbewegingen van en naar Schiphol te reduceren en andere maatregelen te nemen opdat:
- de jaargemiddelde geluidbelasting door het luchtverkeer niet hoger is dan 45 dB(A) Lden en 40 dB(A) Lnight (de WHO-richtlijnen), althans dat die niveaus zoveel mogelijk worden benaderd, in elk geval door nieuwe geluidruimte daar volledig voor in te zetten;
- rekening wordt gehouden met het directe verband tussen het aantal vliegtuigbewegingen enerzijds en ernstige hinder en slaapverstoring anderzijds;
- rekening wordt gehouden met andere hinderfactoren: te weinig rust(perioden), te hoge overvliegfrequentie en te hoge piekbelastingen;
Tot slot vraagt RBV het hof om de Staat op te dragen
- de geldende wet- en regelgeving te handhaven;
- te zorgen voor praktische en effectieve individuele rechtsbescherming voor alle ernstig gehinderden en slaapverstoorden – dus ook voor hen die buiten de huidige vastgestelde geluidscontouren wonen – en waarbij (dreigende) overschrijdingen van geluidsnormen tijdig en effectief in rechte kunnen worden aangekaart;
- toereikende en afdwingbare klimaatdoelstellingen vast te leggen voor het (vertrekkend internationale) vliegverkeer van Schiphol;
Dit alles op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat de vastgestelde onrechtmatigheid voortduurt.