Eisen hoger beroep

Eisen in hoger beroep

RBV vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Voor recht te verklaren dat de Staat (i) gedurende de tijd dat de Staat de vliegoperatie heeft doen inrichten conform het nooit ingevoerde LVB NNHS met een maximum van 500.000 vliegtuigbewegingen in combinatie met het anticiperend (niet-) handhaven; en(/of) (ii) in de huidige vliegoperatie conform het nooit ingevoerde LVB NNHS met een maximum van 478.000 in combinatie met het anticiperend (niet-) handhaven, onrechtmatig heeft gehandeld (en/of handelt) door de in de processtukken omschreven handelswijze en meer specifiek door:

    1. disproportioneel veel mensen bloot te stellen aan (ernstige) hinder en (ernstige) slaapverstoring als gevolg van het vliegverkeer van en naar Schiphol;
    2. niet de juiste door art. 8 EVRM en art. 7 EU Handvest vereiste belangenafweging te maken tussen de belangen van hen die gebaat zijn bij het luchtverkeer van en naar Schiphol, en de belangen van hen die daarvan ernstige hinder en slaapverstoring ondervinden (in zoverre het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen), in het bijzonder door:
      1. Niet alle personen die ernstige hinder of slaapverstoring ondervinden kenbaar in de belangenafweging te betrekken;
      2. Niet alle relevante factoren die ernstige hinder en slaapverstoring veroorzaken kenbaar in de belangenafweging te betrekken;
      3. Niet de nieuwste inzichten over de gezondheidseffecten van ernstige hinder en slaapverstoring kenbaar in de belangenafweging te betrekken;
      4. Niet andere negatieve effecten van het luchtverkeer, waaronder gezondheids- en klimaatschade en externe veiligheid, cumulatief en kenbaar in de belangenafweging te betrekken;
      5. De economische noodzaak voor het aantal toegestane vliegtuigbewegingen niet deugdelijk te onderzoeken en kenbaar in de belangenafweging te betrekken;
      6. Geen actuele gegevens te gebruiken bij het berekenen van (i) aantallen ernstig gehinderden en ernstig slaapverstoorden en (ii) de externe veiligheid;
    3. in strijd met zijn eigen analyse dat voor het economisch welzijn niet meer dan 440.000 vliegtuigbewegingen op Schiphol noodzakelijk zijn, meer vliegtuigbewegingen toe te staan;
    4. uit te gaan van een hogere toelaatbare jaargemiddelde geluidbelasting dan 45 dB(A) Lden en 40 dB(A) Lnight (de WHO-richtlijnen) als gevolg van vliegverkeer van en naar Schiphol, zonder dat daarvoor de noodzaak is aangetoond;
    5. burgers geen praktische en effectieve rechtsbescherming te bieden tegen ernstige hinder en (ernstige) slaapverstoring door vliegverkeer van en naar Schiphol ondervinden (in zoverre het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen), waaronder in ieder geval dient te worden begrepen dat (dreigende) overschrijdingen van vastgestelde maxima aan geluidbelasting tijdig en effectief in rechte kunnen worden aangekaart;
    6. geen minimalisatieverplichting te hanteren voor de uitstoot van zeer schadelijke stoffen verbonden aan de vliegtuigbewegingen op Schiphol;
    7. Geen toereikende en afdwingbare klimaatdoelstellingen vast te leggen voor het (vertrekkend internationale) vliegverkeer van Schiphol.
  2. Voor recht te verklaren dat de wijze waarop de Staat invulling geeft (en heeft gegeven) aan de gelijkwaardigheidscriteria in strijd is met i) het vereiste van gelijkwaardige bescherming ex art. 8.17 lid 7 Wlv en/of ii) art. 8 EVRM;
  3. Voor recht te verklaren dat het in strijd is met de Richtlijn Omgevingslawaai, art. 8 EVRM en art. 7 EU Handvest om de reductiedoelstelling uit het Actieplan Omgevingslawaai 2024-2029 tussentijds aan te passen ten nadele van omwonenden;
  4. Voor recht te verklaren dat, tot het moment van ongedaanmaking van de vastgestelde onrechtmatigheden, het onrechtmatig is om op Schiphol meer dan 440.000 vliegtuigbewegingen (handelsverkeer) per jaar toe te staan; althans dat tot dat moment het aantal vliegtuigbewegingen niet mag toenemen ten opzichte van de vastgestelde capaciteit in het gebruiksjaar 2026 (1 november 2025 tot 31 oktober 2026);
  5. De Staat te bevelen om de vastgestelde onrechtmatigheden te beëindigen binnen twaalf maanden na de datum waarop het vonnis is betekend, althans een nader te bepalen redelijke termijn na betekening van dit vonnis, en daarbij in elk geval:
    1. het aantal vliegbewegingen van en naar Schiphol te reduceren en andere maatregelen te nemen opdat:
      1. de jaargemiddelde geluidbelasting door het luchtverkeer niet hoger is dan 45 dB(A) Lden en 40 dB(A) Lnight (de WHO-richtlijnen), althans dat die niveaus zoveel mogelijk worden benaderd, in elk geval door nieuwe geluidruimte daar volledig voor in te zetten;
      2. rekening wordt gehouden met het directe verband tussen het aantal vliegtuigbewegingen enerzijds en ernstige hinder en slaapverstoring anderzijds;
      3. rekening wordt gehouden met andere (niet-equivalente) akoestische hinderfactoren, in ieder geval door het invoeren van:
        1. minima aan duur en aantal van rustperioden;
        2. maxima aan het aantal vliegtuigpassages per tijdseenheid;
        3. maxima aan de te dulden piekbelasting vanwege vliegverkeer; voor de verschillende relevante tijdsbestekken van de dag, de nacht en de randen van de nacht (23:00-24:00 en 05:00-07:00);
      4. de doelstellingen van de Luchtvaartnota en het Akkoord Duurzame Luchtvaart worden behaald;3.5.3 de geldende wet- en regelgeving te handhaven (in zoverre het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen);
      5. een vorm van praktische en effectieve rechtsbescherming in het leven te roepen, waarbij ten minste vereist is dat:
        1. de rechtsbescherming toegankelijk is voor alle ernstig gehinderden en slaapverstoorden – dus ook voor hen die buiten de huidige vastgestelde geluidscontouren wonen;
        2. de belangen van het individu voldoende geïndividualiseerd en gemotiveerd worden meegewogen;

        (in zoverre het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen), en
        (dreigende) overschrijdingen van vastgestelde maxima voor geluidbelasting tijdig en effectief in rechte kunnen worden aangekaart;

      6. toereikende en afdwingbare klimaatdoelstellingen vast te leggen voor het (vertrekkend internationale) vliegverkeer van Schiphol;
      7. althans door maatregelen te nemen die de rechtbank geraden acht;
  6. De Staat te gebieden om de onder art. 8 EVRM vereiste belangenafweging ten aanzien van het luchtverkeer van en naar Schiphol zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven maar ten minste elke 5 jaar te herijken;
  7. De Staat te gebieden om, voor zover de rechtbank het doorlopen van de Europeesrechtelijke balanced approach procedure voor de maatregelen onder (5) verplicht acht, in die procedure geluidsdoelen te stellen conform de onder (5) genoemde uitgangspunten;
  8. De Staat te verbieden het Actieplan Omgevingslawaai dusdanig aan te passen dat het resterende percentage van de aldaar opgenomen voorgenomen hinderreductie ingevuld mag worden met geluidsreductie door autonomie vlootverstilling; een en ander op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag dat de vastgestelde onrechtmatigheid voortduurt; met veroordeling van de Staat in de kosten van de eerste aanleg (in zoverre het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen); en met veroordeling van de Staat, RSG en de Luchtvaartmaatschappijen in de kosten van het hoger beroep.